Wednesday, January 25, 2006

Verluchtiging 2




Onder het kopje 'verluchtiging' (2 januari 2006) staat een afbeelding van een schilderij uit een serie. Dit is een tweede schilderij uit diezelfde serie. Het is in bezit van H. Versteegh en J. van Dam te Zeist. De overige werken uit die serie heb ik vernietigd. Daarboven een foto van hetzelfde schilderij in de lijst en tegen een blauwe muur. De foto's zijn door H. Versteegh gemaakt.





Thursday, January 12, 2006

An answer to Rob van Gerwen on Classical Music (in English)

Rob van Gerwen wrote:

Jazz and classical music

While listening to John Coltrane, this thought came up: jazz musicians play on a favourite instrument. And, sometimes, the instrument they pick does not really connect with them. [Multi-instumentalist Anthony Braxton seems best when playing on a soprano; Coltrane on a tenor sax, etc.]. This is not merely due to an accidental preference on behalf of the musician, but, rather, to how their bodies connect with this instrument. We shall discuss the notion of ‘individual style’ that is connected with this line of thinking.
In class, we discussed Mozart’s Concerto for clarinet. Nanny argued that the timelesness of this work has to do with how Mozart in it gets the best of the instrument. It is interesting to realize that Mozart succeeds through a score that instructs an infinite number of musicians to play the work. Thus, he brings out the best of various musicians’ playing (on the clarinet) irrespective of the particular musician (assuming that she controls the instrument to sufficient degree).
Listening to John Coltrane confronts me with the thought that Coltrane gets the best of the soprano that he is playing on. We also discussed, however, that it is difficult to conceive of any other musician to play an improvized part in exactly the same way–not difficult as in ‘hard to master’, but difficult as in ‘inconceivable’: such playing would be a form of ‘copying’ instead of ‘performing’ the relevant music. One way or the other, that would amount to a kind of forgery. The improvization in a piece of jazz is not notated in a score; that would be superfluous, would go against the nature of this music.
Would it be too far-fetged to think of jazz as a domain in music-making that has tried to make instrument-playing more dependant on the particular musician’s embodiment?
Coltrane’s improvizing is in “Spiritual”, on The Other Village Vanguard Tapes, Impulse!, 1961
(Previously published on the internet)


Giacomo di Lindini replied:

In answer to Rob van Gerwen

If one speaks the language of music, the instruments with which the musical statements are made is of no importance. However, one can defend the opinion that the type of statement to be made is of influence on the musical instrument used. Every instrument has its own ‘voicing’, quite similar to the emotional plurality of human voices. It is in this context that the diversity of musical instruments finds its origin, and not, as Rob van Gerwen states, in the physical interaction between instrument and musician. I do believe, moreover, that the timelessness of music lies in the possibility of different interpretations through time and culture and not in the interaction between musician and instrument, as directed by the composer. If possible, it would be preferable to ‘encounter’ music which has not been composed, instead of music which has been composed by an intentionalist musician. Perhaps a composer should strive to making music which he himself does not understand, as to prevent the listener to cope with the understanding of the composer and have his undivided attention on understanding the music.

There can be no music without an audience listening or a musician performing. Written music is a semantic reflection of a musical formalization of intentionality, interluded between compositional rizomatic conceptualism by the composer and interpretability by the performer. If the audience likes the performers it agrees with (or responds to-) the rizomatic intentionality and the interpretation thereof by the performer. Some performers interpret in a way that is particularly interesting for a certain target group, others perform more esoteric. (I purposedly hesitate to qualify performances in evaluistic terms)
The question raised is: How is it, that some music is better than other? Let us limit the problem by stating that the composer and the performer are the same, and that the music is improvised.
Does changing the question to ‘How is it, that some music sounds better than other?’ make answering easier of more difficult? In a way, can some music be better than other? Is it possible for an improvising musician to improve his music by technical means, that is, by becoming a better player of the instrument? Is instrumental practice the key to good musicianship?
If music is language, then this must be the case. A poet writing in English cannot write in Chinese, if he doesn’t speak the language. Even if he does, the language may not ‘feel’ right to use as a tool or medium to write poems. Poems need to find the language that is feeling the best, and this may very well be his native language. If the parallel between poetry and musical improvising is correct, the skills of the musician is of great importance to the quality of the music.
I do not think this is true. The use of language in poetry and the use of instrumental skills in music are not comparable. I think, however, that there is a relationship between semantic skills and musical skills in general. Understanding the language of music, in a certain degree, is more important than understanding the musical instrument.
(Previously published on the Internet)

Wednesday, January 11, 2006

Componeren

Vroeger bezat ik een gedomesticeerde rat. (hij heette Rat) Ik denk dat het eerlijker is om die zin als volgt te formuleren: vroeger woonde ik in een kamer met een rat. Hij had namelijk een eigen wil. Toen ik hem voor het eerst in mijn studentenkamer neerzette, vluchtte hij onder een dressoir. Dat werd zijn thuisbasis. Vanuit die thuisbasis ondernam hij excursies naar de rest van mijn kamer, maar hij keerde altijd weer terug. Als er gevaar dreigde rende hij onder het dressoir, maar ook als hij geen zin meer had, of vermoeid was van het ontdekken van mijn kamer.
Zo componeer ik muziek. De plek onder het dressoir is de grondtoon van het stuk. De grondtoon is waar ik mij veilig voel, is de vriend van de componist, en ook die van de luisteraar. Nu kun je excursies gaan maken, je kunt gaan ontdekken. Andere akkoorden, harmonieën gebruiken, maar je komt altijd weer bij de grondtoon uit. Vaak is het akkoord dat voor de terugkeer naar de grondtoon wordt gespeeld, heel spannend. Dat is het moment waarop wordt besloten dat het gevaarlijk wordt, dat je te ver weg bent van de veilige plaats, of dat je geen zin meer hebt om verder te gaan en verlangt naar de vertrouwdheid van de grondtoon. Soms wissel je halverwege het stuk van grondtoon. Dan wordt de veilige plek onder het dressoir vervangen door een plekje achter de koelkast, omdat je dan dichter bij het voedsel zit.

Leuke en veelzeggende metafoor voor het componeren van muziek. Maar waar is de grondtoon in de schilderkunst? Waar is de veilige plek onder het dressoir? Waar kan de schilder zich terugtrekken als het te gevaarlijk wordt? Kan dit de reden zijn waarom ik makkelijker muziek bedenk dan schilder, meer muzikale lef heb?

Tuesday, January 10, 2006

Ik durf niet

Soms kijk ik terug naar het schilderwerk dat ik maakte toen ik 16 was. Ik had de wondere wereld van de surrealisten zojuist ontdekt en wist mijn magische perceptie van de wereld ineens in kleine schilderwerkjes te vatten, hetzij nogal naïef.
In mijn vroege jeugd kende ik de culturele betekenis der objecten nog niet zoals ik die nu ken, en ik dacht ze een magische existentiële ontologie toe. Nu weet ik dat de dingen zijn zoals ze zijn, maar bij het beschouwen van die oude surrealistische werkjes, bedoeld om de magie der objecten te onderstrepen, overvalt mij nog dikwijls de verwondering van weleer.
Het is die verwondering en melancholische hang naar de metafysica die mij destijds op jonge leeftijd tot schilderen heeft aangezet. Toen de magie der objecten plaats maakte voor een cultureel bepaalde epistemologische opvatting, ben ik de melancholische metafysische wereldbeschouwing verloren. Behalve in de schilderkunst, datgene wat ik zelf produceerde en datgene wat de rijke kunstgeschiedenis mij bood.
Ik ben bang dat ik het laatste ook aan het verliezen ben, en mij geheel als cultureel verweven subject heb vervormd. Dat feit objectief vaststellen zal de grootste persoonlijke desillusie van mijn leven worden.

Daarom durf ik niet meer te schilderen.

Onder vrienden zijn

Voor een kunstenaar is een museum als een kroeg. Je ontmoet oude vrienden, kletst wat met ze over zaken die er toe doen, en maakt nieuwe vrienden. Die vrienden zijn er niet echt, ik heb ze meestal nog nooit echt ontmoet, maar de reflectie van hun persoonlijkheid hangt aan de muur. In veel steden ga ik naar het museum, maar daarbij krijg ik hetzelfde gevoel als wanneer ik een vriend zou bezoeken. Kijk je naar een kunstwerk, dan kom je in dialoog met de persoon die het kunstwerk heeft gemaakt. Heb je al eerdere werken van de kunstenaar gezien, dan leer je hem een beetje kennen. Het wordt een vriend. Of je kunt hem niet uitstaan.
Gerhard Richter is een grote vriend van mij. Wij zijn met dezelfde dingen bezig, ontmoeten dezelfde problemen en desillusies. Vincent van Gogh kan ik niet uitstaan. Jan van Eyck is als een oude wijsgeer, wiens niveau, zowel schildertechnisch als mentaal, ik nooit zal kunnen bereiken. Maar met alle vriendelijkheid en grandeur is hij zeker bereid om zijn jonge en talentvolle protégé in zijn goddelijke en magische gedachtewereld in te wijden. Salvador Dali is als een jeugdvriend met wie ik contact hebt verloren, en telkens als ik hem ontmoet, dan herinner ik mij nog wel hoe ik in mijn jeugd aan zijn lippen hing. Maar nu ik zie dat zijn uitvindingen en statements eerder sociale dogma’s dan heldere verrijkingen zijn, ben ik de interesse in zijn persoon een beetje kwijtgeraakt.
Ik maak in musea regelmatig nieuwe vrienden. Thomas Ruff, die mee kan doen in de conversaties tussen mij en Gerhard Richter, Theoderic van de ‘Weiche Stil’ uit Praag, die ik eerder kende uit publicaties maar nu ook in het echt heb ontmoet. Hij is een adept van zijn tijd, maar zijn schilderwijze is als een antwoord op een vraag die Richter, Ruff en ik ons ook hebben gesteld.

Is dat een waarachtig kenmerk van kunst? Een toeschouwer kan op persoonlijk niveau communiceren met individuen uit andere tijden, vrienden met ze worden? En een 1 op 1 conversatie aangaan?

Dat zou revolutionair zijn. Kunstwerken zouden een subjectieve print kunnen zijn van diegenen die ze hebben gemaakt. Door zijn schilderijen heen is Rembrandt zelf zichtbaar.

Ik doel overigens niet op mijns inziens triviale zaken als expressie en zo. Bouguereau laat zichzelf net zo goed zien als Kirchner. Ik geloof niet dat de mate van expressionistische techniek correleert met de hoeveelheid persoonlijke informatie die in een kunstwerk aanwezig is. Het zou wellicht een aanwijzing kunnen zijn dat de auteur van het kunstwerk een andere persoonlijkheid heeft, maar ook met die stelling heb ik moeite.

Sunday, January 08, 2006

Tachisme





























Het lijkt alsof dit een schilderij is in tachistische techniek, zoals de gesture paintings van Jackson Pollock, maar dat is niet zo. Het is gemaakt met sjablonen en een tijdrovende glacistechniek. In principe is de techniek hetzelfde als die van Jan van Eyck of Adriaen van der Werff, behalve dan dat er geen herkenbare voorstelling is, alleen kleur. Het plaatje is trouwens slecht, de dieptesuggestie is niet zo duidelijk.

Monday, January 02, 2006

Verluchtiging


























Dit is een schilderij dat ik maakte in een zeer produktieve periode (omstreeks 1995) Het is de eerste uit een serie van zes. De tweede is in bezit van een vriend, de anderen heb ik vernietigd.

Friday, December 30, 2005

Dogma's

Alles is al geschilderd, maar is daar ook allemaal naar gekeken?
Giacomo di Lindini

Gerhard Richter is voor de schilder als mes en vork voor het diner: je kunt in theorie wel zonder, maar dat is niet erg efficient.
Giacomo di Lindini

Thursday, December 22, 2005

Sloganismen

Waarheid

"Schrijven over muziek is als dansen over architectuur"
Frank Zappa
"Art theory for the artist is like ornithology for the birds"
Barnett Newman

Nochthans:

"Meine Bilder sind kluger als ich"
Gerhard Richter
"Ik eet nog steeds met mes en vork, ik schilder nog steeds met verf en penseel"
Gerhard Richter
"Kunst is het cybernaal atavistisch principe dat vloeit in de structuren van het deoxyribonucleinezuur"
Salvador Dali

Maarrrrr:

"Zij, die hun waarheden in slogans verpakken, moeten tot op het bot worden gewantrouwd."
Giacomo di Lindini

Wednesday, December 07, 2005

Gezwam..

Niets is zo ouderwets als de zucht naar het nieuwe” Boris Groys
Er is parallellisering gaande tussen de kapitalistische cultuur, waarin een constant verlangen naar het nieuwe om het oude te vervangen prevaleert boven een in verwondering omzien naar geslaagde concepten in het verleden. De kunst en de kapitalistische cultuur hebben dit fenomeen gemeen. Kijk maar eens naar culturen waarin vernieuwing onder druk van kapitalisering geen plaats heeft, bijvoorbeeld voormalig Rusland of de DDR. Geologisch onderdeel van Europa maar cultureel verschillend als mogelijk is. Vernieuwingsdrang is in het socialistisch realisme uit den boze. Minachtend hebben wij kapitalisten deze anti-vernieuwing gadegeslagen en geringschattend hebben wij het terzijde geschoven.
Maar nu is de westerse kunstwereld zich gewaar van het slaafse volgen van de kapitalistische tiran, althans wat blinde vernieuwingsdrang betreft. Vernieuwing om de vernieuwing. Vernieuwing om de concurrentiepositie, om de individuele eigenheid en de verkoopbaarheid, niet om kwaliteit, conceptualiteit, inzicht, kracht.

Een vooruitzien zonder terugblik, derhalve. Een onbeteugeld verlangen naar het nieuwe dat per definitie beter is dan het oude, culminerend in het als een dolle stier voortrazen richting onbekende einders. Geen tijd voor wijze lessen van weleer of een culturele introspectie.
Dit is een van de kapitalistische pijlers waar de recentste kunst zich tegen te weer stelt.

Het verleden en de toekomst. En het heden als overbrugging, zwanger van hetgeen haar in de toekomst brengen zal, en wijs door de lessen die het verleden haar leerde. Het is een eeuwige zwangerschap, met een eeuwige geboorte. En in die geboorten ligt de wijsheid, in de reeks van geboorten die de tijd maakt. (wat een gezwam)

Een Procedurele Definitie van kunst

Wanneer het begrip ‘kunstwerk’ procedureel wordt gedefinieerd, moet er van worden uitgegaan dat een kunstwerk een object is met een meerwaarde die het object ontstijgt. Het object zelf en de meerwaarde vormen samen een kunstwerk.
(hierover kan worden gediscussieerd, omdat ook voorstelbaar is dat een kunstwerk uitsluitend bestaat uit de meerwaarde, maar dat het object noodzakelijk is om die meerwaarde te dragen, dat wil zeggen, het object dient slechts als medium voor een meerwaarde. In dat geval is er voor het object geen plaats in de definitie.)
Van belang is te bepalen wanneer die meerwaarde in het object ingebed wordt. Ik zie daarin drie fasen:

1): Inspiratiefase. De kunstenaar heeft een idee, een concept, met daarin de vormkenmerken van het object en de meerwaarde die het object in zich draagt. Op het moment dat het object nog niet is vervaardigd, is de meerwaarde al geformuleerd.
Problemen:
Wanneer het mogelijk blijkt om reeds in de inspiratiefase zowel het object als de meerwaarde die het object tot kunstwerk maakt te definiëren, is het ook mogelijk die meerwaarde van het object te scheiden. Dat betekent, dat het vervaardigen van het object niets anders is dan een overbodige procedurele handeling. Op zijn best zou het een metafoor zijn van de meerwaarde, en het vermoeden bestaat dat de meerwaarde ook zonder het object zou kunnen bestaan.
Een object met een meerwaarde die tegelijkertijd ontstaat maken het kunstwerk niet dynamisch, in die zin dat de meerwaarde al vaststaat. Deze gedachte leidt tot het vermoeden dat kunstwerken slechts rebussen zijn, en zodra de rebus is opgelost verdwijnt ook de meerwaarde uit het kunstwerk, dat vanaf dat moment slechts bewonderd kan worden om zijn ambachtelijke kwaliteiten.

2): Ambachtelijke fase. De kunstenaar heeft een idee, een concept, met daarin de vormkenmerken van het object. Bij het vervaardigen van het object naar de vormkenmerken die de kunstenaar in de inspiratiefase formuleerde, sluipt de meerwaarde in het object. Men kan zover gaan in deze gedachte dat men kan zeggen dat op het moment dat de meerwaarde in het object zit, het object voltooid is als kunstwerk.
Problemen: de kunstenaar moet ambachtelijk in staat zijn zijn concept te realiseren, en het medium moet geschikt zijn om het concept te kunnen bevatten. Daarom ben ik in de paragone een groot voorstander van schilderkunst. Dat medium is uitermate geschikt voor een grote verscheidenheid aan concepten.

3): Receptieve fase. Het concept is gerealiseerd in een medium en zal zich als mentaal subject gedragen bij de confrontatie met een beschouwer.

Friday, December 02, 2005

Mijn laatste schilderijen





Wat heb ik geschilderd?

Drie schilderijen in zwart-wit, 150 bij 50 cm. Het linker schilderij is naar een middeleeuws houten beeldhouwwerk, een persoon met een lang gewaad en een kap om het hoofd waardoor nog juist het gezicht zichtbaar is, het middelste schilderij is een aangepaste versie van een naaktmodel van Internet, met een gefantaseerde draperie gelijkend de Venus van Milo, rechts een madonna naar een gotisch Spaans voorbeeld, waarbij het kind dat zij in haar armen hoort te dragen is afgehouwen. Haar hoofd reflecteert licht van een niet nader aangegeven schijnwerper, of het geeft zelf licht. Dit alles tegen donkere, ongedefinieerde achtergronden. De werken zijn in een gelijke gladde schildertrant geschilderd, zodat niet meer duidelijk is dat de oorsprong in verschillende materialen ligt.
Dit wetende kan er direct worden geïnterpreteerd: links een androgyn, zichzelf bedekkend type, in het midden een prostituee die haar gewaad laat vallen om haar naakte lichaam te tonen, rechts een madonna, de blik afwendend en badend in heilig licht, maar haar geloof, gesymboliseerd door het afwezige kind, is echter verdwenen.
Zodoende zou verder geconcludeerd kunnen worden dat drie vrouwelijke kenmerken zijn afgebeeld: de zichzelf bedekkende, de zich tonende en de geestelijke. De terugwijkende, de naakte en de heilige.
Zo heb ik het niet bedoeld. Ik wilde leuke plaatjes schilderen.
Schilders hebben het nooit zo bedoeld.
Eventuele connotaties zijn voor rekening van de beschouwer.

Tuesday, November 15, 2005

Wat is dat, schilderen? - 3

De conceptuele benadering van kunst kan leiden tot een bepaald soort inzicht in de mechanismen die de communicatie tussen subjecten bewerkstelligen. Met name Amerikaanse kunstenaars uit de jaren tachtig en sommigen uit de jaren zeventig, de enige interessante perioden uit de Amerikaanse kunstgeschiedenis, tonen een vaardigheid in het conceptueel-intersubjectief communiceren. De val van Arthur Danto, namelijk de scheiding van conceptuele intentionele inhoud en tastbaar object, waarna het object gracieus en resoluut in de sloot kan worden gegooid, wordt door deze generatie kunstenaars dynamisch omzeild. Kunstenaars als David Salle, Julian Schnabel, Walter de Maria, de tweede generatie Pop-kunstenaars, en anderen tonen zich meesters in conceptuele communicatie. De grootste conceptualist is echter Europeaan, in de persoon van Gerhard Richter.
Het lijkt mij interessant om een combinatie van deze conceptueel-intentionele beeldende kunst te combineren met een zeker ambachtelijk vakmanschap en een melancholisch en romantiek terugverlangen naar datgene wat is geweest. Een vorm van verlangend maar ook spottend eclecticisme, maar niet detzelfde als de vulgaire na-aperij van het postmodernisme.
Hoe moet dit in het vat worden gegoten? Pluriform eclecticisme omzeilt, in tegenstelling tot vulgair eclecticisme, het banale en het triviale aspect van bijvoorbeeld het werk van Jeff Koons. Dit is door Gerhard Richter bewezen. Het schilderproces verwringen tot een fotografisch-beeldend mechanisme lijkt een goed methode om Richteriaans pluriformisme te bereiken. Dat, en een veelheid aan onderwerpen, veel meer nog dan in het oeuvre van Richter, een bombardement aan onderwerpen, in korte series, elk als door een ander kunstenaar gemaakt, moet een combinatie opleveren, die genoemde doelen kan bereiken. Is dat zeker? Ik weet het niet.
Een onderwerp dat banaal is, is niet meer banaal als het met veel vaardigheid en ambachtelijkheid wordt geschilderd. Een grap is immers nooit duurzaam, dus iets wat duurzaam is kan geen grap zijn. ( Daarmee wordt de kunst van onder anderen Jeff Koons afgedaan als een niet-duurzame grap. Ook het werk van semi-conceptualisten als Richard Prince en in mindere mate John Baldessari is irrelevant).
Volgens bovenstaande methode zou een ‘rizoom’ moeten ontstaan, een eenpuntsmassa met een oneindigheid aan betekenissen. Schilder een serie zwart-wit foto’s na van Laurel en Hardy. Picturaal zijn dat fantastische plaatjes, ambachtelijke uitstraling is gewaarborgd, literaire lading zoals in de Rote Armee Fraktion schilderijen van Richter of zijn serie ‘Lernschwestern’ wordt vermeden. Bovendien is deze manier van schilderen in diepste wezen anti-expressief en laat geen ruimte voor de subjectieve persoonlijkheid van de schilder.
Pornografie heeft de aloude pin-up van Vargas en anderen naar de achtergrond gedrongen. Dergelijke pinups zijn nu slechts plaatjes van weleer, curiositeiten en decoratieve merkwaardigheden voor verzamelaars en naar weleer verlangenden. Een typisch Amerikaans verschijnsel, de pin-up, dat nu slechts een historische waarde vertegenwoordigt. Activiteiten van tweede generatie pop-artiesten zoals Mel Ramos, hebben de pin-up tot een soort high-art gemaakt. Het werden tijdsiconen, generatiemonumenten, ontwikkelingsmerktekens. Nog een paar stappen hoger en de pin-up wordt een rizoom. Zou het mogelijk zijn om deze stappen te maken? En wat is het belang van een pin-up dat de vorm van een rizoom met historische verwijzing heeft aangenomen? En wat is de prijs voor een metamorfose van dergelijke omvang?

Wat is dat, schilderen - 2

"Waarom zou je schilderen", is de vraag die mij al jaren achtervolgt. Ik word bedwelmd door de overtuiging dat schilderkunst communicatie is, en vraag mij in wanhoop af of ik wel iets wil communiceren. "Waarom zou je schilderen", dat wordt, o gruwel, synoniem met: "waarom zou je communiceren"…
Ik wil niet dat schilderen en communiceren synoniemen zijn. Ik weet niet waarom. Het maakt dat ik mij ongemakkelijk voel. Alsof ik de schilderkunst besmeur. Ik weet niet waarom. Een geeigender vorm van kunst dan schilderkunst kan ik mij niet voorstellen en een ineffectiever communicatiemethode dan schilderkunst ook niet. Ik heb geen redenen. Ik weet niet waarom.
Het alternatief voor schilderkunst als communicatiemiddel is schilderkunst als decoratie. Die constatering doet mij kokhalzen. Bovendien neem ik dan aan dat de verschillende decoratieve elementen in een gemiddelde eengezinswoning niet communiceren. Een aanvechtbare conclusie.
Het wordt tijd dat er iets geschilderd wordt dat niet communiceert. En niet decoreert.
Ik heb het gevoel dat dit soort zaken belangrijk zijn voor het beoefenen van beeldende kunst maar ik weet niet waarom.
Er moet iets bevrijd worden. En niet om dat de avant-garde zichzelf in principe wil bevrijden maar omdat de avant-garde geen grond meer heeft om te bestaan. De avant-garde is een communicatiemiddel dat je kunt marketen en branden. Ik gruwel weer. Misschien ben ik te veel een purist maar pure schilderkunst kan alleen door puur denkende kunstenaars worden vervaardigd.
Moet ik weer terug naar de esthetisch behaaglijke kunstbeoefening, voor zover dat geen vorm van decoratie is?
Ik wil niet communiceren.
Rembrandt wilde niet communiceren.
Moet ik als hedendaags kunstenaar mijzelf beroepen op Rembrandt, de zeventiende eeuwer, om mij bij een dilemma te helpen? Zijn er geen eigentijdser antwoorden?
Dit zijn knagende vragen. Ik weet niet waarom.
Ik ben geen beeldend kunstenaar meer omdat ik de beeldende kunst niet meer begrijp. In mijn ogen is zij functieloos omdat haar magie is verworden tot communicatie door dodelijke intellectuele anorexia nervosa. De kracht is uit mijn gedachten. De prikkelende creativiteit die in dienst staat van de magie is nu een slap communicatief en beperkt inzetbaar orgaan geworden. De vrijheid is weg. Daarvoor is beklemming en doelgerichtheid in de plaats gekomen. Ik weet niet waarom. Het maakt me wel depressief en weerhoudt mij van schilderen, omdat ik niet meer vrij kan zijn.

Monday, November 14, 2005

Wat is kunst? Morris Weitz

1 Er zijn diverse denkers die een noodzakelijke voorwaarde voor kunst hebben omschreven. Voor Plato is kunst imitatie of representatie, voor Wordsworth is kunst in stills verzamelde emotie, voor Tolstoi en Curt Ducasse is kunst de expressie van emotie, voor Bell en Fry is kunst ‘significant form’. Susanne Langer ziet kunst als een iconografisch symbool van de vormen van gevoelens.

2 Deze omschrijvingen werken niet als dwingende definities. (Een traan is bijvoorbeeld een expressie van een emotie)

3 Volgens Morris Weitz (1956) is het een vergissing om kunst op bovenstaande wijze te formuleren. Hij zegt dat kunst geen te beschrijven essentie kent. Dit wordt genoemd Anti-Essentialisme.

4 Argument is bovendien dat als kunst een predikaatbeschrijving krijgt toegewezen, zij zich onmiddellijk tegen die beschrijving zal keren.
Commentaar van mij zou zijn, dat dat verschijnsel op zich als een predikaatbeschrijving kan worden gezien.

5 Weitz laat zich door Wittgenstein beïnvloeden wanneer hij meent dan een verzameling kunstwerken niet een verhouding met elkaar hebben die zich laat omschrijven door een predikaatsrelatie, maar door een familierelatie. Er zijn dus diverse predikaten die elkaar overlappen.

6 Weitz staat niet alleen in zijn opvatting dat kunst geen essentie kent. In 1948 formuleert Gallie een dergelijke gedachte. Hij vergelijkt kunstwerken met ethische concepten, die ook essentieloos zijn en derhalve niet met predikaten zijn te omschrijven. John Passmore heeft een soortgelijke insteek, en zegt dat er moet worden opgehouden met definiërende esthetica. Paul Ziff meent dat kunst anti-essentieel is en voegt daaraan toe dat kunstwerken geclassificeerd zijn op zichzelf, naar aanleiding van hun gelijkenis met paradigmatische cases. Kennick verwerpt de zoektocht naar een noodzakelijke definitie van kunst, en zegt dat kunstwerken zijn gegroepeerd naar gelijkenis en analogie, en dat definities die algemeen van aard zijn en niet open, gedoemd zijn te mislukken.
Katchadourian zegt dat kunst een familiegelijkenis concept is, Berleant en Tatarkiewicz menen hetzelfde. De laatste zegt dat de enige werkende vorm van een definitie van kunst zou zijn een open lijst van kunstwerken, met daarbij de intenties van kunstenaars, de effecten die kunstwerken teweeg brengen enzovoorts.

7 Veel anti-essentialisten menen dat, omdat de essentie van kunst niet kan worden beschreven omdat die er niet is, het formuleren van een definitie onnodig is. Mothersill en Tilghman staan achter deze gedachte.

8 Kennick, een anti-essentialist, noemt het volgende voorbeeld: vraag iemand om alle kunstwerken uit een warenhuis te halen en hij doet het. Vraag iemand om alle voorwerpen met ‘significant form’ uit een warenhuis te halen en hij raakt volkomen de kluts kwijt. Mijn tegenwerping is, dat wanneer Andy Warhol zijn Brillo-Boxen in het warenhuis plaatst naast de Brillo Boxen die er normaal staan, dat de bezoeker die de kunstwerken moet meenemen ook verward raakt, of niet met de Warhol terugkeert.

9 Beter is het om te zeggen: haal uit dit warenhuis alles wat je mooi vindt. Dat zal zeker lukken.

10 Opgemerkt moet worden dat de in 1 genoemde denkers er niet op uit waren om een sluitende en noodzakelijke definitie van kunst te omschrijven, veeleer om haar werking op de beschouwer te ontsluiten.

11 Tilghman zegt, dat Weitz het werk van Wittgenstein in de Philosophische Untersuchungen verkeerd heeft geïnterpreteerd. (Ook Moutafakis doet hier melding van) Volgens Tilghman leunt Weitz te zwaar op de ontkenning dat kunstwerken een gezamenlijke eigenschap hebben, want door dat te suggereren staat hij toe dat de vraag ‘hebben kunstwerken een gezamenlijke eigenschap?’ een betekenisvolle vraag wordt. Weitz en Kennick weigeren te onderkennen dat de vraag ‘is het kunst?’ een strikt contekstueel-relatief antwoord vergt, en hij verwerpt de vraag ‘is het kunst?’ als betekenisloos en onnodig door het niet specificeren van een context waarin die vraag betekenisvol wordt. Wanneer die context wel zou worden gespecificeerd, dan zou die vraag betekenisvol worden en de vraag naar een noodzakelijke definitie heroproepen.

12 Er is een context te formuleren waarin de vraag ‘is het kunst?’ niet een verzoek om een definitie is, maar veeleer een verlangen naar een demonstratie van de continuïteiten tussen een aantal geaccepteerde en geroemde kunstwerken uit het verleden en daarbij de tradities en doelen die zich in het spel van de kunst voordoen voordat het betreffende kunstwerk zich manifesteert.

13 Weitz gebruikt voor zijn anti-essentiële gedachte het voorbeeld van wrakhout op het strand, dat in een museum wordt geplaatst en plotseling kunst is. Wat is het verschil tussen een kunstwerk en een object dat geen kunstwerk is? Niets. Er zijn derhalve geen essentiële kenmerken aan te wijzen die het niet-kunstwerk van het wel-kunstwerk onderscheiden.

14 Veel gehoord commentaar op deze stelling is enerzijds dat een stuk wrakhout in een museum inderdaad geen kunst is, en anderzijds dat het wrakhout de status van kunstwerk heeft verkregen door beschrijfbare interventie van een kunstenaar of van iemand anders.

15 Meer hout snijdt het commentaar van Mandelbaum, Manser en Osborne. Hun commentaar luidt, dat het probleem te beschrijven is aan de hand van het voorbeeld van Weitz, dat kunstwerken zich tot elkaar verhouden als leden van een familie (naar Wittgenstein). Mensen worden immers niet bij elkaar in families gegroepeerd aan de hand van hun gelijkenis, hoe onbeschrijfbaar ook, maar aan de hand van overeenkomend genetisch materiaal. Mijn commentaar: familieleden bestaan ook uit aangetrouwden, geadopteerden etc. Dezen vertonen geen overeenkomst in genetisch materiaal. Het is echter mogelijk de tegenwerping van Mandelbaum, Manser en Osborne zo te formuleren dat mijn commentaar niet meer van toepassing is, en de tegenwerping niet aan kracht inboet.

16 Dickie formuleert een andere tegenwerping: als het zo is dat er een familiegelijkenis bestaat, hoe zit dat dan met het eerste kunstwerk? Hoe werd het eerste kunstwerk als zodanig herkend? Een kunstwerk zonder artistieke voorgangers moet hebben bestaan, maar kan geen familierelaties kennen. Bij het beschrijven van het eerste kunstwerk zou er een essentie boven moeten komen drijven die geldt voor de gehele familie.
"Eerstheid" is een probleem op zich. Wie was er eerst, de kip of het ei?
Mijns inziens is er geen eerste kunstwerk, noch fysiek, noch theoretisch, omdat er een evolutie aan het begrip kunst voorafgaat, die met het huidige begrip van kunst niets te maken heeft. Men heeft naderhand het predikaat ‘kunst’ op eerder vervaardigde objecten toegepast.

Saturday, November 12, 2005

Wat is dat, schilderen?

Schilderen is een mentaal proces van ideeenverwezenlijking door middel van techniek en ambacht, een tijdverslindende oefening in concentratie, een ondraaglijk gevaar voor de schilder, een paradoxale toestand van nieuwsgierigheid en melancholie, en dat alles zonder enig doel.