Het begrip 'creativiteit' kan betrekking hebben op drie soorten dingen: een persoon, (deze persoon is creatief of doet creatieve dingen) een proces (we gaan vanmiddag creatief doen door te brainstormen) of een product. (Jouw design straalt creativiteit uit) Het product kan ook een idee of concept zijn in iemands hoofd. Daarnaast lijkt consensus te bestaan over de gedachte dat een creatief product aan twee criteria moet voldoen: het moet nieuw zijn, in absolute of contextuele zin, en het moet bruikbaar of waardevol zijn. (of van waarde, Kant noemt het 'exemplarisch') Het kan immers heel goed zijn dat iets nieuws volstrekt waardeloos is. Beide criteria vereisen andere beoordelingsmethoden.
Verschillende theoretici over creativiteit leggen andere nadruk. Zo stelt Bence Nanay vrij overtuigend dat creativiteit met name een attribuut is van mentale processen en niet van producten, ook wanneer een publiek met een creatief product wordt geconfronteerd. Dat is een experientiele definitie van creativiteit, waarbij wordt gesteld dat creativiteit in de vorm van een creatief product zich tot een reeks historische voorgangers en contexten verhoudt. George Dickie noemde dat een institutionele definitie.
Wie deze experientiele of institutionele definitie van creativiteit wil hanteren, zal de verhouding tussen een creatief product en de historie en context daarachter moeten omschrijven en beoordelen. Dat is een lastige exercitie en laat veel ruimte voor subjectiviteit.